Agrarische Wet

Artikel nr: 
G.B. 1937 no. 53

Artikel type: 
Artikelen

Onderwerp: 
Agrarische Wet

Type artikel: 
Wet


Datum Inwerkingstreding: 
21-09-1936

Datum Ondertekening: 
21-09-1936

Datum Totstandkoming wet / verdrag / regels / beleid: 
21-09-1936


Ministerie: 
Ruimtelijke Ordening, Grondbeheer en Bosbeleid

Rechtsgebied: 
Ruimtelijke ordening en milieu

Publicatie: 
Staatsblad /



Inhoud: 

G.B. 1937 no. 53

Agrarische Wet

WET van 21 september 1936, tot vaststelling van een algemene regeling betreffende de uitgifte van domaniale gronden (G.B. 1937 no. 53), gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij G.B. 1950 no. 87, G.B. 1953 no. 30, G.B. 1953 no. 60, G.B. 1962 no. 51, G.B. 1966 no. 104, S.B. 1980 no. 130, S.B. 1982 no. 11, S.B. 1986 no. 28.

EERSTE AFDELING
Artikelen 1-21 Vervallen.

TWEEDE AFDELING
Artikel 32 Vervallen.

DERDE AFDELING
VERLENING VAN RECHTEN OP DOMEINGROND

§ 1 ERFPACHT

Artikelen 4 -103 Vervallen.

Artikel 114

1. De erfpachter is verplicht:
a. tijdens de duur van het erfpachtrecht de afbakening, bedoeld in het tweede lid van artikel 8, ten genoegen van de President in goede staat te onderhouden;
b. onverminderd de bijzondere voorwaarden, in de erfpachtsbeschikking om¬schreven, met betrekking tot de aanleg en het gebruik van werken in, over of aan openbare wateren of hun oevers, de beschikbaarstelling van grond voor de aanleg van openbare wegen als anderszins en de aanleg en het onder¬houd van zodanige wegen en daarin gelegen werken, zich te gedragen naar de bepalingen, welke dienaangaande bij wettelijke regeling ten aanzien van de houders van zakelijke of persoonlijke rechten op tot het Landsdomein behorende gronden zijn of zullen worden vastgesteld.

2. De erfpachter heeft de vrije beschikking over alle bomen en gewassen al of niet door hemzelf aangeplant, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald is in de erfpachtsbeschikking, en behoudens de betaling van een door de Presid¬ent te bepalen retributie voor het kappen van kostbare hout¬soorten, welke voor ander dan eigen gebruik ter plaatse wor-den bestemd.

3. Ingeval op het terrein hout bewerkt wordt – behalve voor eigen gebruik ter plaatse – of balata of andere bosproducten geëxploiteerd worden, is de erfpachter onder¬worpen aan de algemene heffingen en bepalingen, welke ten aanzien van de uitoefening van die bedrijven op domeingrond, van toepassing zijn, behoudens vrijstelling van de betaling van een afzon¬derlijk concessierecht.

4. Ten aanzien van grensgeschillen en andere geschillen met betrekking tot de uitoefening door de erfpachter van diens rechten alszodanig is de erfpachter onvoorwaar¬delijk onder¬worpen aan de beslissing van de President.

Artikel 125

1. Indien, naar het oordeel van de President, de in de erf¬pacht uitgegeven domeingrond geheel of ten dele benodigd is voor de openbaren dienst of voor enig doeleinde van algemeen nut, is de President bevoegd om, de Raad van Be¬stuur gehoord, het erfpachtsrecht vervallen te verklaren met betrekking tot de voor de beoogde bestemming benodigde grond, welke in de desbetreffende beschikking zo nauwkeurig mogelijk wordt om¬schreven en wordt aangegeven op een, aan de beschikking te hechten, door de Gouvernementselandmeter vervaardigde kaart.

2. De President draagt zorg, dat de in het vorige lid bedoelde beschikking ten hypotheekkantoren wordt overgeschreven in de daarvoor bestemde openbare registers.

3. De vervallen verklaring gaat in met de dag van de overschrijving der beschikking in de in het vorig lid aangeduide registers; de grond keert daarmede vrij en onbe¬zwaard terug tot het vrije Landsdomein.

4. De President doet aan de erfpachter met bijvoeging van een exemplaar van de in het eerste lid bedoelde kaart, aangetekend een gewaarmerkt afschrift toekomen van de beschikking, met daarop gestelde verklaring van overschrijving van de hypotheekbewaarder.

5. De erfpachter, wiens erfpachtsrecht ingevolge het bepaalde in het eerste lid geheel of ten dele vervallen is verklaard, heeft in verband daarmede aanspraak op een schadeloosstelling, waarvan het bedrag, indien niet in minnelijk overleg ter zake overeenstemming is verkregen, wordt vastge¬steld, op de wijze als omschreven in artikel 5 van de Domein¬wet, bij uitspraak van drie, overeenkomstig het bepaal¬de bij dat artikel aangewe¬zen, scheidsmannen.

6. Indien het erfpachtsrecht geheel is vervallen ver¬klaard en daarop een hypotheek was gevestigd, wordt de hypotheekhouder bij voorrang in overeenstemming met de rangorde van de hypotheek, uit de van landswege uit te keren schadeloosstelling voldaan, zulks tot het bedrag van, en in mindering op, de hypothecaire vordering.

7. Indien het erfpachtsrecht ten dele vervallen is verklaard en daarop een hypotheek is gevestigd, wordt de hypotheekhouder bij voorrang in overeenstemming met de rangorde van de hypotheek, uit de van landswege uit te keren schadeloosstelling voldaan, zulks in mindering op de hypothecaire vordering en tot een bedrag dat in dezelfde verhouding staat tot de gehele hypothecaire vordering, als de waarde van het vervallen verklaarde deel van het erfpachtsrecht tot die van geheel.

8. Voor de toepassing van de voorgaande leden van dit artikel wordt met de erfpachter gelijkgesteld degene die het vruchtgebruik van het erfpachtsrecht heeft. In geval van vruchtgebruik wordt de krachtens het vijfde lid uit te keren schadeloosstelling verdeeld tussen de erfpachter en de vruchtgebruiker, zulks naar verhouding van de waarde van ieders recht.

Artikel 136

1. Overdracht van het erfpachtsrecht is niet toegelaten, alvorens de daartoe strekkende overeenkomst bij resolutie van de President, de Staatsraad gehoord, is goedgekeurd, tenzij de canon over de reeds vervallen termijnen ten volle is voldaan en de erf¬pachter tot dusverre ook zijn overige verplichtingen is nagekomen.

2. Overschrijving, in de daartoe bestemde openbare regis¬ters, van de akten tot overdracht van erfpachtsrechten op grond, behorend tot het Landsdomein, wordt geweigerd indien niet de akte vergezeld gaat van het, aan de erfpachter ver¬leend, uittreksel uit de eerstbedoelde resolutie van de Presi¬dent, welk uittreksel mede in die registers wordt overge¬schre¬ven, tenzij het bewijs geleverd wordt, dat de canon over de vervallen termijnen ten volle is voldaan en de erfpachter tot dusverre ook zijn overige verplichtingen is nagekomen.

3. Het bewijs dat de erfpachter zijn overige verplichtingen tot dusverre is nagekomen, wordt, behoudens het bepaalde in de volgende leden van dit artikel, geleverd door een desbetreffende verklaring, welke ten hoogste een jaar voor het tijdstip waarop de overschrijving wordt gevraagd, door of vanwege de Minister van Opbouw is verstrekt.

4. Indien in de bijzondere voorwaarden, bedoeld in artikel 8, termijnen zijn gesteld ten aanzien van de door de erfpachter aan de grond te geven bestemming, wordt de verklaring niet verstrekt zolang de eerste van deze termijnen nog lopende is, tenzij inmiddels is geschied hetgeen binnen die termijn door de erfpachter moest worden verricht.

5. Het bewijs dat de erfpachter zijn verplichtingen, boven die tot betaling van de canon, tot dusverre is nagekomen, behoeft niet te worden geleverd in gevallen waarin de overschrijving wordt gevraagd wegens openbare executoriale verkoop van het erfpachtsrecht krachtens rechterlijke beslissing of ingevolge de bepalingen van een hypotheekakte.

6. Ingeval van weigering tot afgifte van de in het derde lid bedoelde verklaring kan de erfpachter, indien hij van oordeel is dat deze weigering ten onrechte is geschiedt, zich tot de bevoegde rechter wenden en vorderen om voor recht te verklaren, dat hij aan zijn verplichtingen, boven die tot betaling van de canon, heeft voldaan.

7. Voor de toepassing van het in het vorige lid bepaalde wordt met weigering gelijkgesteld het niet tot afgifte overgaan van de gevraagde verklaring binnen dertig dagen na de indiening van een daartoe strekkend verzoek.

8. Indien de rechter overeenkomstig de vordering van de erfpachter beslist, treedt het vonnis in de plaats van de ministeriële verklaring.

Artikel 147

1. Het erfpachtsrecht kan niet dan met toestemming van de President worden prijsgegeven.

2. Deze toestemming wordt niet vereist indien de erfpachter krachtens art. 12 van zijn recht voor een gedeelte van de grond is vervallen verklaard en hij in verband daarmede zijn recht voor het overige gedeelte van de grond wenst prijs te geven, mits hij de in het volgende lid van dit artikel bedoelde verklaring aflegt binnen één jaar, gerekend van de dagtekening van de beschikking, waarbij de bovenbe¬doelde vervallen verklaring heeft plaats gehad.

3. Prijsgeving van het erfpachtsrecht geschiedt, na verkrijging van de in het eerste lid bedoelde toestemming, door toezending aan de President bij aangetekend schrijven van een op zegel gestelde verklaring, overeenkomstig een door deze vastgesteld model.
Indien op het erfpachtsrecht een hypotheek of een recht van vruchtgebruik is gevestigd, moet de verklaring mede worden ondertekend door de hypotheekhouder of de vruchtgebruiker.

4. De President doet de vorenbedoelde verklaring ten spoedigste overschrijven in de daarvoor bestemde openbare registers.

Artikel 15

De erfpachter, wiens recht als zodanig door het verstrijken van de erfpachtster mijn zou vervallen, wordt desverlangd, wanneer en voorzover niet door de President, de Staatsraad gehoord, terugkeer van de grond tot het vrij Landsdomein nodig wordt geacht, bij aanvaarding van de daaraan te verbinden voorwaarden door verlenging van de duur van het recht telkens met ten hoogste een gelijke termijn, als waar¬voor het oorspronkelijk verleend was, in het genot daar¬van gelaten, indien hij uiterlijk zes maanden vóór het verstrijken van de lopende erfpachtstermijn een schriftelijk verzoek van die strekking aan de President heeft ingediend.

Artikel 168

1. De erfpachter kan door de President, de Staatsraad gehoord, met betrekking tot de grond in zijn geheel of tot een bepaald gedeelte daarvan van zijn erfpachtsrecht vervallen worden verklaard:
a. indien hij de bepalingen en voorwaarden, van algemene of van bijzondere aard, aan het erfpachtsrecht of de uitoefe¬ning daarvan verbonden, naar het oordeel van de President niet of niet behoorlijk naleeft;
b. indien niet, ten genoegen van de President, binnen een voor verlenging vatbare termijn van één jaar na de ingang van de erfpachtstermijn een ernstig begin is gemaakt met de ontginning en de bebouwing of beplanting van de grond of de uitoefening van de veeteelt daarop, naar gelang van het doel¬einde, waarvoor de erfpacht is verleend, en niet gedurende de verdere loop van die termijn met de daadwerkelijke uitoefeing van het bedrijf op behoorlijke wijze wordt voortgegaan;
c. indien de canon over drie achtereenvolgende jaren niet is voldaan.

2. De vervallenverklaring geschiedt bij een met redenen omklede, aan de erf¬pachter, diens erfgenamen of rechtverkrijgenden bij deurwaardersexploit betekende, beschikking van de President, aan welke, indien zij een bepaald gedeelte van de erfpachtsgrond betreft, een exemplaar is gehecht van een door de Gouvernementslandmeter ver¬vaardigde kaart van het gedeelte van de erfpachtsgrond, waarop de vervallenverklaring betrekking heeft.

3. Tot het vaststelling van een beschikking als in het eerste lid bedoeld, wordt niet overgegaan dan nadat ten minste VIER WEKEN te voren, met vermelding van de feiten, bij deur¬waardersexploit aan de erfpachter, diens erfgenamen of rechtverkrijgenden mededeling is gedaan van het voornemen tot vervallenverklaring en de kenbaar gemaakte tekortkomingen niet ten genoegen van de President zijn hersteld of opgeheven.

4. Indien op het erfpachtsrecht hypotheek of vruchtgebruik is gevestigd of de erfpachter een overeenkomst van landbouwlening onder bedrijfsverband heeft aangegaan, worden de in het tweede en het derde lid van dit artikel bedoelde exploiten mede aan de hypotheekhouder de vruchtgebruiker of de verbandhouder betekend.

5. De beschikking tot vervallenverklaring wordt door de zorg van de President ten hypotheekkantore in de daarvoor bestemde openbare registers overgeschreven, nadat, indien de beschikking betrekking heeft op een gedeelte van de erfpachtsgrond, tevens is overgelegd een exemplaar der in het tweede lid bedoelde kaart.

6. Met ingang van de dag van overschrijving der beschik¬king van de President tot vervallenverklaring van het erfpachtsrecht keert de grond geheel of voor het in de beschik¬king omschreven gedeelte vrij en onbezwaard terug tot het vrij Landsdomein.

7. De erfpachter of gewezen erfpachter of diens rechtverkrijgenden zijn bij vervallenverklaring van het erfpachtsrecht op de grond of een bepaald gedeelte daarvan, hetzij het recht vervallen is krachtens dit artikel, hetzij krachtens een der vorige artikelen van deze Afdeling, gehouden binnen één maand na de dag van overschrijving der vervallenverklaring in de openbare registers of na het vervallen van rechtswege van het erfpachtsrecht, de grond of het betrokken gedeelte daarvan te ontruimen en ter vrije beschik¬king van de Lande te stellen, waartoe zij met behulp van de sterke arm op hun kosten kunnen worden genoodzaakt.

8. De kosten van de in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel bedoelde exploiten komen ten laste van de erfpachter, diens erfgenamen of rechtverkrijgenden.

Artikel 17

1. De erfpachter is voor de betaling van de tijdens de duur van zijn recht verschuldigd geworden canon en van de wegens wanbetaling daarvan verschuldigde boeten ook persoon¬lijk aansprakelijk, welke aansprakelijkheid blijft bestaan na overdracht, vervallenverklaring of prijsgeving van zijn recht.

2. Ingeval van overdracht van het erfpachtsrecht is de nieuwe erfpachter mede persoonlijk aansprakelijk voor de volledige betaling van de tot op het tijdstip van de over¬dracht aan canon en boete verschuldigde gelden.

§ 2 HUUR, GEBRUIK EN ANDERE PERSOONLIJKE RECHTEN

Artikel 189

1. Uitgifte van domeingrond in huur, in gebruik of onder enige andere persoon¬lijke rechtstitel geschiedt – behoudens het bepaalde in § 3 omtrent “Vestigingsplaatsen” – door de President op schriftelijke aanvraag voor een bepaaldelijk daarbij omschreven bestemming tot wederopzeggens of voor een bepaalde tijdsduur, welke niet meer bedraagt dan tien achtereenvolgende jaren, behoudens de mogelijkheid van verlengingen,telkenmale van niet langere duur.

2. De uitgifte geschiedt onder verplichting van betaling aan de Lande van een naar gelang van omstandigheden bepaald jaarlijks bedrag, hetwelk bij vooruitbetaling moet worden voldaan.

3. Vrijstelling van betaling van het in lid 2 bedoelde bedrag kan voor ten hoogste drie jaren worden verleend bij uitgifte voor de uitoefening van de landbouw van woeste grond of van grond, die ofschoon te voren uitgegeven (geweest) zijnde, wederom tot de staat van woestheid is teruggekeerd.

4. Aan de verlening van het recht worden verder de voor¬waar¬den en bepalingen verbonden, welke de President in het belang van de Lande en in het algemeen belang nodig oor¬deelt.

5. Voorzover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, worden overigens de rechten en verplichtingen van hem, aan wie een recht als bedoeld in het eerste lid van dit artikel is verleend, beheerst door het gemene recht van Suriname.

6. Ten aanzien van grensgeschillen en andere geschillen, de uitoefening betref¬fend van het verleende recht, is de rechthebbende onvoorwaardelijk onderworpen aan de beslissing van de President.

Artikel 1910

1. De aanvraag, bedoeld in het vorige artikel, gaat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, vergezeld van of wordt binnen een, voor verlenging door de President vatbare, termijn van één maand na de dag van indiening van de aanvraag gevolgd door, overleg¬ging in tweevoud van een door een landmeter in Suriname vervaardigde figuratieve kaart, houdende een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de ligging, de vermoedelijke oppervlakte en de begrenzing van de grond.

2. De President is bevoegd ontheffing te verlenen van de verplichting tot overlegging van een figuratieve kaart in tweevoud, indien daartoe bij of tijdig na de indiening van de aanvraag het verzoek wordt gedaan.

3. Voor gronden met een oppervlakte van 5 ha of minder aangevraagd voor de uitoefening van het landbouw-, tuinbouw- of veeteeltbedrijf, wordt de in dit artikel bedoel¬de figura¬tieve kaart door de Gouvernements-Landmeter vervaardigd.

Artikel 2011

1. Tenzij de President van oordeel is, dat de aanvraag zonder meer moet worden afgewezen – van welke bevinding hij ten spoedigste aan de aanvrager kennis geeft door toezending, aangetekend, van een uittreksel uit de afwijzende beschikking – wordt, indien de President zulks nodig acht op de door hem gewenste wijze aan de aanvraag op kosten van de aanvrager algemene bekendheid gegeven, met vermelding van de termijn, binnen welke tegen inwilliging van de aanvraag schriftelijk bezwaren kunnen worden ingebracht.

2. Indien de President, na overweging van de ingebrachte bezwaren, de aanvraag voor inwilliging vatbaar acht, verleent hij het gevraagde recht bij een beschikking, van welke aan de aanvrager aangetekend een uittreksel wordt gezonden; ingeval van afwijzing van de aanvraag geschiedt de mededeling daarvan op gelijke wijze.

3. De ingevolge deze paragraaf opgemaakte stukken zijn voor percelen van 5 ha of minder, uitgegeven voor de uitoefening van het landbouw-, tuinbouw- of veeteeltbedrijf, vrijgesteld van rechten of kosten ten bate van ‘s Landskas.

§ 3 Artikel 2112 Vervallen.

VIERDE AFDELING

Artikelen 22 – 2413
Vervallen.