Bouwwet – G.B. 1956 no. 30

Artikel nr: 
G.B. 1956 no. 30

Artikel type: 
Artikelen

Type artikel: 
Wet



Ministerie: 
Ruimtelijke Ordening, Grondbeheer en Bosbeleid



Inhoud: 

WET van 6 april 1956 strekkende tot vaststelling van bouwvoorschriften (G.B. 1956 no. 30), gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij G.B. 1957 no. 67, G.B. 1972 no. 96, S.B. 1980 no. 116, S.B. 2002 no. 72.

Artikel 1-1

1. Het is verboden te bouwen:

a. tenzij met voorafgaande schriftelijke vergunning van de Directeur;
b. met wijziging of in afwijking van het bouwplan, overeenkomstig hetwelk de schriftelijke vergunning van de Directeur werd verleend, tenzij op die wijziging of afwijking vooraf nadere goedkeuring van de Directeur is verkregen;
c. anders dan met inachtneming van de voorschriften bij of krachtens een voorbereidingsbesluit of een bestemmingsplan gesteld, alsmede van de bij staatsbesluit vastgestelde bouwvoorschriften;
daaronder kunnen zijn begrepen voorschriften ten aanzien van de wegen waaraan mag worden gebouwd.

2. Voor zover de voorschriften, bij of krachtens een voorbereidingsbesluit of een bestemmingsplan gesteld, niet overeenstemmen met de in het vorige lid bedoelde bouwvoorschriften, blijven deze laatste buiten toepassing.

3. Onder bouwen wordt verstaan het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen, of uitbreiden van gebouwen of andere bouwwerken in de ruimste zin van het woord, waaronder begrepen waterbouwkundige bouwwerken.

4. Deze wet is niet van toepassing op tot tijdelijk gebruik bestemde loodsen, keten, tenten en andere soortgelijke inrichtingen, één en ander ter beoordeling van de Directeur.

Artikel 2

In deze wet wordt verstaan onder:
a. Directeur: de Directeur van Openbare Werken en Verkeer.
b. Minister: de Minister van Openbare Werken en Verkeer.

Artikel 3-2

1. Om een vergunning bedoeld in artikel 1 te verkrijgen moet het daartoe strekkend verzoekschrift bij de Directeur worden ingediend.

2. Bij staatsbesluit wordt bepaald aan welke vereisten het verzoekschrift moet voldoen en welke bescheiden en tekeningen daarbij dienen te worden overgelegd.

3. Binnen twee maanden na de indiening van het verzoekschrift en bijbehorende bescheiden en tekeningen, waarvoor desverlangd ontvangstbewijs wordt afgegeven, neemt de Directeur een beschikking, welke binnen drie dagen daarna aan hem die de aanvraag heeft gedaan, in afschrift wordt uitgereikt.

4. De Directeur kan de beslissing omtrent een verzoekschrift, dat betrekking heeft op een gebied, waarvoor een voorbereidingsbesluit van kracht is, aanhouden, totdat het bestemmingsplan is vastgesteld.

Artikel 3a-3

1. Voor een vergunningsaanvraag voor een bouwwerk wordt een vergunningsrecht geheven,
waarvan de hoogte, alsmede de grootte van de bouwsom waarover het wordt geheven, bij
staatsbesluit worden bepaald.

2. Als bouwsom zal gelden de door de Afdeling Bouw- en Woningtoezicht geraamde waarde
van het op te zetten bouwwerk.

3. Bij staatsbesluit kunnen regels worden gegeven betreffende het geheel of gedeeltelijk
verlenen van vrijstelling van de heffing als bedoeld in lid 1.

4. Indien de vergunninghouder geen gebruik maakt van de hem verleende bouwvergunning,
zal hem op zijn verzoek 50% (vijftig procent) van de door hem betaalde heffing worden
gerestitueerd.

5. Bij een verzoek tot verlenging van de bouwvergunning is 10% (tien procent) van de
heffing verschuldigd.

6. Bij een verzoek tot wijziging van het bouwplan vindt herziening van de heffing plaats,
met dien verstande evenwel dat er geen restitutie plaats vindt.

Artikel 4-4

1. De in artikel 1 bedoelde vergunning wordt slechts geweigerd:
a. indien het bouwplan of het verzoekschrift of de bescheiden of tekeningen niet voldoen
aan de bij het staatsbesluit krachtens artikel 1 of bedoeld in artikel 3 van deze wet
gestelde eisen;
b. indien het bouwplan betrekking heeft op een monument in de zin van artikel 3 van de
Monumentenwet en deze niet in overeenstemming is met de terzake door de Minister
belast met culturele aangelegenheden verleende vergunning.

2. Ter bevordering van een harmonische bebouwing in stads- en dorpsgedeelten met een
eigen esthetisch karakter kunnen door de Directeur bijzondere eisen aan de bouwplannen
binnen die gebieden worden gesteld. De Directeur laat zich voor de beoordeling van deze
eisen door een deskundige commissie bijstaan, waarvan taak en bevoegdheden bij
staatsbesluit worden geregeld.

3. Aan de bebouwing kunnen voorwaarden worden verbonden, waaronder mede begrepen
voorwaarden ten aanzien van de kleur of versiering van het uiterlijk van het bouwwerk,
voor zover van de weg af zichtbaar.

4. Elke beschikking tot weigering moet met redenen zijn omkleed.

Artikel 5-5

1. Indien een bouwwerk tot stand wordt gebracht, of tot stand is gekomen in strijd met de
verbodsbepaling van artikel 1, of met de voorwaarden waaronder de vergunning is
verleend is de overtreder verplicht, binnen een daarbij te bepalen termijn te voldoen aan
een hem uitgereikte aanschrijving van de Directeur om weg te nemen hetgeen tot stand
gebracht is zonder de vereiste vergunning of in strijd met de bij de vergunning gestelde voorwaarden of met wijziging of in afwijking van het goedgekeurde bouwplan of in strijd met de bij staatsbesluit gestelde voorschriften of te doen verrichten hetgeen werd nagelaten.

2. Bij niet voldoen aan de bij het vorige lid bedoelde verplichting is de Directeur bevoegd datgene wat in de aanschrijving bevolen wordt ten uitvoer te doen brengen op kosten van de aangeschrevene.

3. Het verhaal der kosten heeft plaats door de Ontvanger der Directe Belastingen op de wijze als voor het invorderen van belastingen bepaald.

Artikel 6-6

1. Ieder, die, hetzij voor zich, hetzij voor een ander, beheer voert over enig gebouw of bouwwerk – daaronder begrepen muren, schuttingen, heiningen, hekken, stoepen, riolen of putten, alsmede de bodem onder een gebouw of bouwwerk -, dat hetzij door ouderdom in een bouwvallige toestand verkeert, hetzij uit anderen hoofde gevaar oplevert voor de veiligheid of gezondheid van gebruikers of anderen, een en ander ter beoordeling van de Direkteur, is verplicht te voldoen aan een hem uitgereikte aanschrijving van de Direkteur om binnen de daarbij gestelde termijn het bouwvallige te herstellen, te vernieuwen of te slopen, of zodanige maatregel in het belang van de veiligheid en gezondheid te treffen, welke door de Direkteur ten aanzien van dat gebouw of bouwwerk nodig wordt geacht.

2. Bij niet voldoen aan de bij het vorige lid bedoelde verplichting is de Directeur bevoegd datgene wat in de aanschrijving bevolen wordt ten uitvoer te doen brengen op kosten van de aangeschrevene.

Artikel 5, lid 3 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7-7

1. Beroep op de Minister is toegelaten:
a. van een beschikking tot weigering van de bouwvergunning;
b. van de voorwaarden verbonden aan een bouwvergunning;
c. van een beschikking tot aanhouding van de beslissing op een verzoek om een bouwvergunning;
d. van een aanschrijving als bedoeld in artikel 5, lid 1;
e. van een aanschrijving als bedoeld in artikel 6, lid 1;
f. van de geraamde waarde als bedoeld in artikel 3a, lid 2.

2. Het beroep moet door de betrokkene schriftelijk worden ingesteld binnen 2 weken nadat de beslissing waartegen in beroep wordt gekomen hem is uitgereikt. Hangende de beroepstermijn en indien beroep is ingesteld, zolang op het beroep nog niet is beslist, vindt het gestelde in artikel 5, lid 2, en artikel 6, lid 2 geen toepassing.

3. De Minister beslist op het beroep van de in lid 1 onder a, b, c en f genoemde beschikking binnen dertig dagen na de indiening daarvan bij een met redenen omklede beschikking, waarvan een afschrift binnen twee weken aan de betrokkene wordt uitgereikt. Deze beschikking, waartegen geen beroep is toegelaten, treedt in de plaats van de beschikking van de Directeur.

4. Het bepaalde in het voorgaande lid is van overeenkomstige toepassing op het beroep van de in lid 1 onder d en e genoemde aanschrijvingen.

Artikel 8-8

1. Hij die niet of niet behoorlijk voldoet aan de verplichtingen bij deze wet of krachtens artikel 1 van deze wet gesteld, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste duizend gulden.

2. De feiten in deze wet strafbaar gesteld worden beschouwd als overtredingen.

Artikel 9-9

1. Met het opsporen van overtredingen en het toezicht op de naleving der voorschriften gesteld bij of krachtens deze wet zijn, behalve de bij artikel 134 van het Wetboek van Strafvordering genoemde ambtenaren en beambten, belast alle door de Minister aangewezen ambtenaren.

2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren hebben te allen tijde toegang tot alle gebouwen en al of niet afgesloten ruimten, teneinde voor de naleving dezer wet te waken en tot haar uitvoering mede te werken.

3. Wordt hun de toegang geweigerd dan verschaffen zij zich die desnoods met inroeping van de sterke arm.

4. Is de plaats tevens een woning of alleen door een woning toegankelijk, dan treden zij deze tegen de wil der bewoners niet binnen dan op vertoon van een schriftelijke bijzondere last van de Procureur-Generaal.

5. Van dit binnentreden maken zij proces-verbaal op, dat binnen twee maal 24 uren aan hem, wiens woning is binnengetreden, in afschrift wordt medegedeeld.

6. Indien een bij deze wet strafbaar gesteld feit gepleegd wordt door een rechtspersoon wordt de strafvervolging ingesteld en de straf uitgesproken tegen de in Suriname gevestigde leden van het bestuur en bij ontstentenis of afwezigheid van die leden, tegen de vertegenwoordigers van de rechtspersoon in Suriname.

7. Het bepaalde bij het vorig lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van rechtspersonen optredende als bestuurder of vertegenwoordiger van een andere rechtspersoon.

8. Geen straf wordt uitgesproken tegen het lid van het bestuur of tegen de vertegenwoordiger, van wie blijkt, dat het feit buiten zijn toedoen is gepleegd.

Artikel 10-10

1. Deze wet is van toepassing op het district Paramaribo, met dien verstande, dat voor datgene nodig ter betaling van het in artikel 3a bedoelde vergunningsrecht, zij van toepassing is op geheel Suriname.

2. Zij wordt bij de aanwijzing in andere districten van woongebieden, als bedoeld in artikel 1 van de Stedebouwkundige Wet, met onmiddellijke werking op die gebieden van toepassing, tenzij in het staatsbesluit tot aanwijzing anders is bepaald.

3. Bij staatsbesluit kan deze wet ook op andere dan de in de leden 1 en 2 bedoelde gebieden van toepassing worden verklaard; daarbij kunnen de in de artikelen 1 en 3 bedoelde staatsbesluiten geheel of gedeeltelijk van toepassing worden verklaard.

4. Door de Directeur kan, de Districts-Commissaris gehoord, voor bepaalde gevallen binnen het gebied, waarvoor deze wet ingevolge het vorige lid van toepassing is, ontheffing van de in artikel 1 lid 1 sub a gestelde verplichting tot het aanvragen van een bouwvergunning worden verleend.

Artikel 11-11

Deze wet welke kan worden aangehaald als “Bouwwet” onder bijvoeging van het jaartal harer vaststelling, treedt in werking op een door de President te bepalen tijdstip.
Bij het inwerking treden van deze wet of van de in de artikelen 1 en 3 bedoelde staatsbesluiten voor enig deel van het grondgebied vervallen voor dat deel van het grondgebied de artikelen van de wet van 21 oktober 1911, houdende bepalingen van Politie te Paramaribo (G.B. 1912 No. 19, geldende tekst G.B. 1948 No. 156) en de wet van 29 november 1915, tot vaststelling van een Politiestrafwet (G.B. 1915 no. 77, geldende tekst G.B. 1942 No. 152), voor zover deze laatste artikelen voorzien in onderwerpen geregeld in deze wet of het te harer uitvoering genomen staatsbesluit of van toepassing verklaard gedeelte daarvan.

1 Gew. bij G.B. 1972 no. 96.
2 Gew. bij G.B. 1957 no. 67, G.B. 1972 no.96.
3 Ingev. bij G.B. 1972 no. 96.
4 Gew. bij G.B. 1957 no. 67, G.B. 1972 no. 96, S.B. 2002 no. 72.
5 Gew. bij G.B. 1957 no. 67.
6 Gew. bij G.B. 1957 no. 67.
7 Gew. bij G.B. 1957 no. 67, G.B. 1972 no. 96.
8 Gew. bij G.B. 1957 no. 67.
9 Gew. bij S.B. 1980 no. 116.
10 Gew. bij G.B. 1957 no. 67, G.B. 1972 no. 96.
11 I.w.t. 25 januari 1957 (G.B. 1957 no. 14); Gew. bij G.B. 1957 no. 67.