Vuurwapenwet – G.B. 1930 no. 73

Artikel nr: 
G.B. 1930 no. 73

Artikel type: 
Wetten

Onderwerp: 
Vuurwapenwet

Type artikel: 
Concept Wet


Datum Inwerkingstreding: 
07-02-1930

Datum Ondertekening: 
07-02-1930


Ministerie: 
Ruimtelijke Ordening, Grondbeheer en Bosbeleid

Rechtsgebied: 
Ruimtelijke ordening en milieu

Publicatie: 
Anders /



Inhoud: 

WET van 7 Februari 1930 tot vaststelling van bepalin¬gen omtrent de invoer in, de doorvoer, door en de uitvoer uit, alsmede het voorhanden hebben en vervoer van en de handel in vuurwa¬pens en munitie in Suriname (G.B. 1930 no. 73), gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij G.B. 1965 no. 48, G.B. 1971 no. 51, S.B. 1980 no. 116, S.B. 1981 no. 198, S.B. 1990 no. 1, S.B. 2001 no. 62 .

ALGEMENE BEPALING

Artikel 11

Voor de toepassing van deze wet worden:
1°. onder vuurwapens wordt mede verstaan bommen, handgranaten en andere voor ontploffing of voor het verspreiden van vergiftige, verstikkende of weerloosmakende gassen bestemde wapenen, vlammenwerpers, zomede alarmpistolen en andere soortgelijke voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerpen, volgens bij staatsbesluit te geven omschrijving;
2°. onder vuurwapens mede begrepen onderdelen van vuurwapens;
3°. onder munitie mede begrepen onderdelen van munitie als patroonhulzen, slaghoedjes, mantelkogels en kogelmantels;
4°. met vuurwapens gelijkgesteld degens, sabels, kle¬wangs, dolken, dolkmessen, wapenstokken en andere soortge¬lijke voorwerpen, ter beoordeling van de Procureur-Generaal.

IN-, DOOR- EN UITVOER

Artikel 22

1. De invoer in, de doorvoer door en de uitvoer uit Suriname van vuurwapens en munitie, anders dan ten behoeve van staatsdienst, zijn verboden.

2. Voor zover niet uitdrukkelijk anders is bepaald, wordt in- of uitvoer in de zin van deze wet geacht te zijn geschied, wanneer deze goederen zich aan de monding van of op een der in artikel 3 lid 2 genoemde rivieren bevinden onderscheidenlijk de vaste wal hebben verlaten.

3. Onder doorvoer valt niet die, welke rechtstreeks geschiedt, zonder overlading, met oorlogsschepen van vreemde mogendheden of met schepen van stoomvaartlijnen, welke Surina¬me in haar vaste vaarplan hebben opgenomen.

4. De verbodsbepaling van het eerste lid met betrekking tot in- of uitvoer geldt niet voor personen, voor wie het bezit van een vuurwapen is voorgeschreven – zonder dat hun dit van overheidswege wordt verstrekt -; echter slechts voor zover het de in- of uitvoer betreft van een vuurwapen van de soort en in de hoeveelheid, tot het bezit waar¬van zij verplicht zijn, alsmede van het in artikel 15 vastgestelde aantal patronen voor dit wapen.

Artikel 3

1. De Procureur-Generaal is bevoegd om, voor zover enig redelijk belang dit vordert en misbruik van de vergunning of van deze in-, door- of uit te voeren goederen niet is te vrezen – een en ander te zijner beoordeling – met ontheffing van het desbetref¬fend verbod, vergunning te verlenen tot in-, door- en uitvoer van vuurwapens en munitie.

2. De in- en uitvoer mogen alleen door de monding van de Suriname, de Nicke¬rie en de Marowijne geschieden of door de monding van zodanige andere rivieren of langs zodanige andere wegen als later bij staatsbesluit zal worden bepaald.

3. Aan de te verlenen vergunning kunnen voorwaarden worden verbonden.

Artikel 4

De Procureur-Generaal is bevoegd om aan personen, die tijdelijk Suriname bezoeken, schriftelijk vergunning te ver¬lenen, om, onder de daarin op te nemen voor¬waarden, al dan niet met uitschakeling of afwijking van de bepalingen van deze wet, vuurwapens met de mogelijk daarbij behorende munitie, welke belanghebbenden tot persoonlijk gebruik bij zich hebben, mede te voeren.

Artikel 53

1. Een verzoek om in-, door- of uitvoer van vuurwapens en munitie wordt gedaan bij een schriftelijke aanvraag, te richten aan de Procureur-Generaal.

2. Een vergunning tot in-, door- of uitvoer wordt schriftelijk verleend.
Deze vergunning wordt de belanghebbende òf in persoon uitgereikt òf bij aange¬tekende dienstbrief toegezonden.

3. Aanvraag en vergunning vermelden de naam en de voor¬namen van de belang¬hebbende, de nationaliteit, het geslacht, de leeftijd, de woonplaats, het beroep, de soort en de hoeveelheid van de in-, door- of uit te voeren goederen, de reden daarvan en het doel daarbij en de termijn, waarbinnen van de vergunning onderscheidenlijk zal en moet worden gebruik ge¬maakt.

4. De vergunning vermeldt tevens op welke wijze en langs welke weg de in-, door- of uitvoer heeft te geschieden, alsme¬de de bijzondere voorwaarden, waaronder dezelve is verleend.

5. Elke vergunning is strikt persoonlijk.

6. Van een vergunning tot invoer van vuurwapens en muni¬tie mag slechts gebruik worden gemaakt door de hier te lande zich bevindende aanvrager.

7. Bij de in-, door- of uitvoer moet de belanghebbende de vergunning vertonen aan de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, of bij in-, door- of uitvoer in, door of uit het district Nicke¬rie dan wel Marowijne aan de eerstaanwezende ambtenaar van de belastingen of de ambtenaar daartoe bij bijzondere beschik¬king van de Procureur-Generaal aangewezen.

8. Van de afwijzende beschikking op een verzoek om in-, door- of uitvoer wordt de belanghebbende schriftelijk kennis gegeven, welke kennisgeving in de regel met redenen omkleed wordt.
Deze kennisgeving wordt de belanghebbende òf in persoon uitgereikt òf bij aangetekende dienstbrief toegezonden.

Artikel 6

1. Zolang en voor zover de in-, door- of uitvoer nog niet heeft plaats gehad, kan de vergunning door de Procureur-Generaal worden ingetrokken.

2. De intrekking geschiedt bij een schriftelijke en – in de regel – met redenen omklede beschikking waarvan een uittreksel aan de belanghebbende òf in persoon wordt uitgereikt òf bij aangetekende dienstbrief wordt toegezonden.

3. De belanghebbende is alsdan verplicht de betrekkelijke vergunning aangete¬kend, binnen een maand na de ontvangst van bedoeld uittreksel, aan de Procureur-Gene¬raal terug te zen¬den.

Artikel 7

1. De vergunning tot in- of doorvoer vervalt binnen de geldende tijdsduur, wanneer de belanghebbende inmiddels komt te overlijden.

2. Indien een vergunning tot in- of doorvoer vervallen is door het aflopen van de termijn, moet de belanghebbende deze binnen veertien dagen daarna inleveren.

3. Indien de belanghebbende overleden is, geschiedt de inlevering daarvan uiterlijk binnen een maand na het overlij¬den en wel door de uitvoerder van de uiterste wil, zo die er is, en anders door de erfgenamen of een hunner.

4. De inlevering van de vergunning geschiedt door aange¬tekende toezending aan de Procureur-Generaal.

Artikel 84

1. Vuurwapens of munitie, waarvoor een vergunning tot in- of doorvoer is aangevraagd, kunnen, indien de Procureur-Generaal, daartoe verlof geeft, inmiddels voorlopig worden opgeslagen te Paramaribo onder de Districts-Commissaris van het Stadsdistrict en in de districten onder de betrokken Districts-Commissaris, tenzij door de Procureur-Generaal een ander persoon daarvoor wordt aangewezen.

2. Wordt deze vergunning niet verleend of heeft intrek¬king daarvan plaats in de betrekkelijke gevallen als bedoeld in artikel 6, lid 1, dan wordt de belanghebbende een tijdruimte van drie maanden gelaten, te rekenen vanaf de dagtekening van de beschikking, om de betrekkelijke voorlopig opgeslagen goede¬ren weder weg te voeren of om op enige andere wijze daarover of met betrekking daartoe te beschikken, met in achtneming van de bepalingen van deze wet.

3. Is een of ander niet geschied binnen die termijn, dan vervallen de betrekkelij¬ke goederen, zonder enige vergoeding, aan het land en kan vernietiging daarvan door de Procureur-Generaal bevolen worden.

VOORHANDEN HEBBEN VAN VUURWAPENS

Artikel 9

Het is verboden een vuurwapen voorhanden te hebben zonder daartoe bevoegd te zijn.

Vuurwapenwet

G.B. 1930 no. 73
Vuurwapenwet
WET van 7 Februari 1930 tot vaststelling van bepalin¬gen omtrent de invoer in, de doorvoer, door en de uitvoer uit, alsmede het voorhanden hebben en vervoer van en de handel in vuurwa¬pens en munitie in Suriname (G.B. 1930 no. 73), gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij G.B. 1965 no. 48, G.B. 1971 no. 51, S.B. 1980 no. 116, S.B. 1981 no. 198, S.B. 1990 no. 1, S.B. 2001 no. 62 .

ALGEMENE BEPALING

Artikel 11

Voor de toepassing van deze wet worden:
1°. onder vuurwapens wordt mede verstaan bommen, handgranaten en andere voor ontploffing of voor het verspreiden van vergiftige, verstikkende of weerloosmakende gassen bestemde wapenen, vlammenwerpers, zomede alarmpistolen en andere soortgelijke voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerpen, volgens bij staatsbesluit te geven omschrijving;
2°. onder vuurwapens mede begrepen onderdelen van vuurwapens;
3°. onder munitie mede begrepen onderdelen van munitie als patroonhulzen, slaghoedjes, mantelkogels en kogelmantels;
4°. met vuurwapens gelijkgesteld degens, sabels, kle¬wangs, dolken, dolkmessen, wapenstokken en andere soortge¬lijke voorwerpen, ter beoordeling van de Procureur-Generaal.

IN-, DOOR- EN UITVOER

Artikel 22

1. De invoer in, de doorvoer door en de uitvoer uit Suriname van vuurwapens en munitie, anders dan ten behoeve van staatsdienst, zijn verboden.

2. Voor zover niet uitdrukkelijk anders is bepaald, wordt in- of uitvoer in de zin van deze wet geacht te zijn geschied, wanneer deze goederen zich aan de monding van of op een der in artikel 3 lid 2 genoemde rivieren bevinden onderscheidenlijk de vaste wal hebben verlaten.

3. Onder doorvoer valt niet die, welke rechtstreeks geschiedt, zonder overlading, met oorlogsschepen van vreemde mogendheden of met schepen van stoomvaartlijnen, welke Surina¬me in haar vaste vaarplan hebben opgenomen.

4. De verbodsbepaling van het eerste lid met betrekking tot in- of uitvoer geldt niet voor personen, voor wie het bezit van een vuurwapen is voorgeschreven – zonder dat hun dit van overheidswege wordt verstrekt -; echter slechts voor zover het de in- of uitvoer betreft van een vuurwapen van de soort en in de hoeveelheid, tot het bezit waar¬van zij verplicht zijn, alsmede van het in artikel 15 vastgestelde aantal patronen voor dit wapen.

Artikel 3

1. De Procureur-Generaal is bevoegd om, voor zover enig redelijk belang dit vordert en misbruik van de vergunning of van deze in-, door- of uit te voeren goederen niet is te vrezen – een en ander te zijner beoordeling – met ontheffing van het desbetref¬fend verbod, vergunning te verlenen tot in-, door- en uitvoer van vuurwapens en munitie.

2. De in- en uitvoer mogen alleen door de monding van de Suriname, de Nicke¬rie en de Marowijne geschieden of door de monding van zodanige andere rivieren of langs zodanige andere wegen als later bij staatsbesluit zal worden bepaald.

3. Aan de te verlenen vergunning kunnen voorwaarden worden verbonden.

Artikel 4

De Procureur-Generaal is bevoegd om aan personen, die tijdelijk Suriname bezoeken, schriftelijk vergunning te ver¬lenen, om, onder de daarin op te nemen voor¬waarden, al dan niet met uitschakeling of afwijking van de bepalingen van deze wet, vuurwapens met de mogelijk daarbij behorende munitie, welke belanghebbenden tot persoonlijk gebruik bij zich hebben, mede te voeren.

Artikel 53

1. Een verzoek om in-, door- of uitvoer van vuurwapens en munitie wordt gedaan bij een schriftelijke aanvraag, te richten aan de Procureur-Generaal.

2. Een vergunning tot in-, door- of uitvoer wordt schriftelijk verleend.
Deze vergunning wordt de belanghebbende òf in persoon uitgereikt òf bij aange¬tekende dienstbrief toegezonden.

3. Aanvraag en vergunning vermelden de naam en de voor¬namen van de belang¬hebbende, de nationaliteit, het geslacht, de leeftijd, de woonplaats, het beroep, de soort en de hoeveelheid van de in-, door- of uit te voeren goederen, de reden daarvan en het doel daarbij en de termijn, waarbinnen van de vergunning onderscheidenlijk zal en moet worden gebruik ge¬maakt.

4. De vergunning vermeldt tevens op welke wijze en langs welke weg de in-, door- of uitvoer heeft te geschieden, alsme¬de de bijzondere voorwaarden, waaronder dezelve is verleend.

5. Elke vergunning is strikt persoonlijk.

6. Van een vergunning tot invoer van vuurwapens en muni¬tie mag slechts gebruik worden gemaakt door de hier te lande zich bevindende aanvrager.

7. Bij de in-, door- of uitvoer moet de belanghebbende de vergunning vertonen aan de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, of bij in-, door- of uitvoer in, door of uit het district Nicke¬rie dan wel Marowijne aan de eerstaanwezende ambtenaar van de belastingen of de ambtenaar daartoe bij bijzondere beschik¬king van de Procureur-Generaal aangewezen.

8. Van de afwijzende beschikking op een verzoek om in-, door- of uitvoer wordt de belanghebbende schriftelijk kennis gegeven, welke kennisgeving in de regel met redenen omkleed wordt.
Deze kennisgeving wordt de belanghebbende òf in persoon uitgereikt òf bij aangetekende dienstbrief toegezonden.

Artikel 6

1. Zolang en voor zover de in-, door- of uitvoer nog niet heeft plaats gehad, kan de vergunning door de Procureur-Generaal worden ingetrokken.

2. De intrekking geschiedt bij een schriftelijke en – in de regel – met redenen omklede beschikking waarvan een uittreksel aan de belanghebbende òf in persoon wordt uitgereikt òf bij aangetekende dienstbrief wordt toegezonden.

3. De belanghebbende is alsdan verplicht de betrekkelijke vergunning aangete¬kend, binnen een maand na de ontvangst van bedoeld uittreksel, aan de Procureur-Gene¬raal terug te zen¬den.

Artikel 7

1. De vergunning tot in- of doorvoer vervalt binnen de geldende tijdsduur, wanneer de belanghebbende inmiddels komt te overlijden.

2. Indien een vergunning tot in- of doorvoer vervallen is door het aflopen van de termijn, moet de belanghebbende deze binnen veertien dagen daarna inleveren.

3. Indien de belanghebbende overleden is, geschiedt de inlevering daarvan uiterlijk binnen een maand na het overlij¬den en wel door de uitvoerder van de uiterste wil, zo die er is, en anders door de erfgenamen of een hunner.

4. De inlevering van de vergunning geschiedt door aange¬tekende toezending aan de Procureur-Generaal.

Artikel 84

1. Vuurwapens of munitie, waarvoor een vergunning tot in- of doorvoer is aangevraagd, kunnen, indien de Procureur-Generaal, daartoe verlof geeft, inmiddels voorlopig worden opgeslagen te Paramaribo onder de Districts-Commissaris van het Stadsdistrict en in de districten onder de betrokken Districts-Commissaris, tenzij door de Procureur-Generaal een ander persoon daarvoor wordt aangewezen.

2. Wordt deze vergunning niet verleend of heeft intrek¬king daarvan plaats in de betrekkelijke gevallen als bedoeld in artikel 6, lid 1, dan wordt de belanghebbende een tijdruimte van drie maanden gelaten, te rekenen vanaf de dagtekening van de beschikking, om de betrekkelijke voorlopig opgeslagen goede¬ren weder weg te voeren of om op enige andere wijze daarover of met betrekking daartoe te beschikken, met in achtneming van de bepalingen van deze wet.

3. Is een of ander niet geschied binnen die termijn, dan vervallen de betrekkelij¬ke goederen, zonder enige vergoeding, aan het land en kan vernietiging daarvan door de Procureur-Generaal bevolen worden.

VOORHANDEN HEBBEN VAN VUURWAPENS

Artikel 9

Het is verboden een vuurwapen voorhanden te hebben zonder daartoe bevoegd te zijn.

Artikel 105

De bevoegdheid tot het voorhanden hebben van een vuurwa¬pen komt slechts toe:
1°. aan openbare ambtenaren en beambten, die krachtens besluit van de Presi¬dent in het bezit van het betrekkelijke vuurwapen mogen zijn;
2°. aan een publiekrechtelijk lichaam;
3°. aan hem, die het vuurwapen krachtens een wettelijke bepaling of opdracht voor een publiekrechtelijk lichaam onder zich heeft;
4°. aan hen, die deel uitmaken van de gewapende macht of van de politie, voor zover het vuurwapen, dat zij voorhanden hebben, in soort en in hoeveelheid tot hun uitrusting behoort;
5°. aan de personen, bedoeld in het vierde lid van artikel 2, voor zover het een vuurwapen betreft, tot het bezit waarvan zij naar soort en hoeveelheid verplicht zijn;
6°. aan personen, die geen ander vuurwapen vervoeren dan dat zodanig is ingepakt, dat het niet voor dadelijk gebruik kan worden aangewend, mits het vervoer gedekt is door een geleidebiljet, afgegeven door de Districts-Commissaris van het Stadsdi¬strict of door de Districts-Commissaris van de plaats, waar het vervoer een aanvang neemt;
7°. aan hem, die voorzien is van een algemene of bij¬zon¬dere schriftelijke machti¬ging van de tot verstrekking daarvan bevoegde ambtenaar volgens de daarin opgenomen bepa¬lingen en voorwaarden.

Artikel 11

1. Waar in deze wet sprake is van een schrifte¬lijke machtiging zonder meer, worden daaronder de beide soor¬ten, als in het voorgaande artikel onder 7 bedoeld, verstaan, terwijl de bijzondere schriftelijke machtiging hierna als vuurwapenvergunning wordt aangeduid.

2. Een algemene schriftelijke machtiging kan uitslui¬tend worden afgegeven aan handelaren in vuurwapens als zod¬anig.

Artikel 12

1. Aan de schriftelijke machtiging kunnen voorwaarden worden verbonden.

2. Zij kan alleen verleend worden voor zover enig redelijk belang dat vordert en misbruik van de machtiging of van het vuurwapen of de vuurwapens niet is te vrezen, een en ander ter beoordeling van de tot verstrekking van die machti¬ging bevoegde ambtenaar.

3. Zij kan tot bepaalde tijden en plaatsen worden beperkt en is strikt persoonlijk.

Artikel 136

1. De schriftelijke machtiging wordt schriftelijk aange¬vraagd bij en verleend door de Procureur-Generaal.
Deze aanvraag houdt, met betrekking tot de hier bedoelde machtiging, in hetgeen de aanvraag, bedoeld in artikel 5, lid 3, ten aanzien van de in-, door- of uitvoer, heeft te vermel¬den met uitzondering van hetgeen aldaar met betrekking tot de termijn is gesteld; hij, die geen woonplaats binnen Suriname heeft, heeft bij de aanvraag aldaar woonplaats te kiezen. De aanvrager verstrekt voorts zoveel mogelijk de van hem door of vanwege de Procureur-Generaal verder gevraagde inlichtingen en beschei¬den.
Binnen een maand wordt op de aanvraag schriftelijk beschikt.
Indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk niet wordt ingewilligd, is de beschik¬king in de regel met redenen om¬kleed.

2. Elke aanvraag van een schriftelijke machtiging, m.n. vuurwapenvergunning en een algemene schriftelijke machtiging gaat vergezeld van de betaling van een recht van Sf. 5.000,- (VIJFDUIZEND GULDEN), van welke betaling, bij geen toewijzing, geen restitutie plaatsvindt.

3. Van de laatstbedoelde beschikking staat de aanvrager, binnen een maand na de dagtekening daarvan, beroep open op de President, die binnen een maand na de dag, waarop het beroep hem heeft bereikt, daarop schriftelijk beschikt.

4. De Procureur-Generaal is te allen tijde bevoegd elke door hem of, in hoger beroep van zijn beschikking, de door de President verleende schriftelijke machtiging bij een in de regel met redenen omklede beschikking, in te trekken, ingaan¬de onmiddellijk of op een daarbij te bepalen later tijdstip.
Het voorgaande lid is van overeenkomstige toepassing.

5. Van de aan het slot van het eerste lid, van de in het tweede lid en van de in het derde lid bedoelde beschikkin¬gen wordt een uittreksel aan de belanghebbende òf in persoon uitgereikt òf bij aangetekende dienst¬brief toegezonden.

6. Binnen een maand na het tijdstip van ingaan van de intrekking, bedoeld in het derde lid, moet de belanghebbende de aan hem afgegeven schriftelijke machtiging inleve¬ren aan de Procureur-Generaal, van wie de intrekking is uitgegaan, tenzij vóór dien de betrekkelijke beschikking in beroep is vernietigd.

7. Bij intrekking van een schriftelijke machtiging zullen de goederen, waarvoor zij gold, onmid                                                                   dellijk na het tijdstip van ingaan van de betrekkelijke intrekking door de belanghebbende moeten worden ingeleverd aan de Procureur-Generaal, zullende door deze daarvoor een gedagtekend bewijs van ontvangst worden afgegeven.

8. Indien de belanghebbende in het vijfde en zesde lid bedoeld, overleden is, geschiedt de in een en ander lid voor¬geschreven inlevering door de uitvoerder van de uiterste wil, zo die er is, en anders door de erfgenamen of een hun¬ner.

9. Gedurende de tijd, die alsnog had te verlopen tus¬sen het tijdstip van ingaan der intrekking en de afloop van de termijn, waarvoor de schriftelijke machtiging was verleend, zullen de krachtens het zesde en zevende lid ingelever¬de goederen ter beschikking blijven van de rechthebbende, die daarmede, inmiddels met inachtneming van de bepalin¬gen van deze wet, kan handelen.

10. Na verloop van de in het vorige lid bedoelde tijd vervallen de ingeleverde goederen, zonder enige vergoeding, aan het land en kan vernietiging daarvan door de Procureur-Generaal bevolen worden.

Artikel 147

1. De schriftelijke machtiging is ten hoogste, doch tevens als regel, geldig voor één jaar, aanvangende met de dag van uitreiking.

2. Een schriftelijke machtiging wordt niet verleend dan na betaling van een bedrag, groot:
a. voor zover het betreft een vuurwapenvergunning:
honderdzestigduizend gulden wanneer het een vuistvuurwapen betreft;
veertigduizend gulden indien het een vuurwapen betreft dat vanuit de schouder wordt afgevuurd met een maximaal kaliber van 12.
b. voor zover het betreft een algemene schriftelijke machtiging: honderdzestigduizend gulden.

3. De in lid 2 genoemde bedragen zijn berekend per jaar; de betaling daarvan heeft te geschieden bij het doen van de aanvraag, bedoeld in artikel 13, lid 1.
Wordt de machtiging voor minder dan een jaar verleend, dan ondergaat het bedrag een evenredige vermindering.

4. Bij intrekking, bedoeld in artikel 13, lid 3, heeft een evenredige teruggave van de gestorte gelden plaats.

5. Een vuurwapenvergunning is slechts geldig voor één vuurwapen, dat daarin met name wordt aangegeven en zo nauw¬keurig mogelijk wordt omschreven.

6. Het in de leden 2, 3, 4 en 5 bepaalde, voor wat lid 5 betreft alleen het bepaal¬de in het eerste zinsgedeelte, geldt niet voor vuurwapens, die, naar het oordeel van de Procu¬reur-Generaal, het karakter dragen van oudheid.

7. Bij iedere verlenging van een schriftelijke machtiging als bedoeld in lid 1 van dit artikel, is een bedrag verschuldigd van:
a. voor zover het betreft een vuurwapenvergunning: tachtigduizend gulden, wanneer het een vuistvuurwapen betreft; twintigduizend gulden, indien het een vuurwapen betreft dat vanuit de schouder wordt afgevuurd met een maximaal kalber van 12.
b. voor zover het betreft een algemene schriftelijke machtiging tachtigduizend gulden.

VOORHANDEN HEBBEN VAN MUNITIE

Artikel 158

1. Het is verboden, anders dan van overheidswege ten behoeve van staatsdienst, munitie voorhanden te hebben zonder voorzien te zijn van een schriftelijke machti¬ging van de tot verstrekking daarvan bevoegde ambtenaar.
Het in de artikelen 12 en 13 bepaalde vindt ten deze overeenkomstige toepassing.

2. Het voorgaande lid is niet van toepassing ten aanzien van:
1o. munitie, welke, tot na te melden hoeveelheden, in het bezit is van personen, die bevoegd zijn een of meer vuurwape¬ns voorhanden te hebben.
Deze hoeveelheid bedraagt: wanneer het geldt een of meer handvuurwapens – geweer, buks, karabijn – voor elk verschil¬lend kaliber daarvan ten hoogste een honderd partronen, en wanneer het een of meer vuistvuurwapens – pistool, revolver -geldt, voor elk verschillend kaliber daarvan ten hoogste vijf en twintig patronen.
2o. vervoerd wordende munitie, waarvan het vervoer gedekt is door een geleide¬biljet, afgegeven door of vanwege de Procureur-Generaal.

3. Het is verboden andere munitie voorhanden te hebben dan die geschikt is voor het vuurwapen, tot welks voorhanden hebben een schriftelijke machtiging is afgegeven.

AFLEVERING VAN VUURWAPENS EN MUNITIE

Artikel 16

Het is verboden van het afleveren van vuurwapens en munitie een beroep of een gewoonte te maken zonder voorzien te zijn van een algemene schriftelijke machtiging van de tot verstrekking daarvan bevoegde ambtenaar.

Artikel 179

1. Allen, die van het afleveren van vuurwapens en muni¬tie een beroep of een gewoonte maken, zijn verplicht een, naar een door de President vast te stellen model ingericht en door of vanwege de Procureur-Generaal of Districts-Commissaris hunner woonplaats gefolieerd en geparafeerd, doorlopend register te houden en daarin onverwijld aantekening te doen van alle door hen onder enige titel ontvangen of afgeleverde vuurwa¬pens en munitie.

2. Zij zijn verplicht daarin onverwijld te vermelden de namen en woonplaatsen zowel van degenen, van wie de goederen afkomstig of voor wie deze bestemd zijn, als van hen, uit wier handen zij de goederen hebben ontvangen of in wier handen zij deze hebben afgeleverd, en voorts datum en plaats van afgifte van de vergunningen, schriftelij¬ke machtigingen en geleide-biljetten, welke ingevolge deze wet aan bedoelde personen verleend mochten zijn.

3. Zij zijn verplicht het register op eerste aanvraag ter inzage, contrôle en verifieering te vertonen aan elk der ambtenaren, in artikel 30 bedoeld.

Artikel 18

1. Het is verboden, anders dan van overheidswege ten behoeve van staatsdienst, een vuurwapen of munitie binnen Suriname af te leveren.

2. Het voorgaande lid is niet van toepassing ten aanzien van het afleveren van een vuurwapen of munitie van iemand, die bevoegd is dat vuurwapen of die munitie voorhanden te hebben.

AANVRAGEN, VERGUNNINGEN, SCHRIFTELIJKE MACHTIGINGEN EN
GELEIDE-BILJETTEN

Artikel 1910

De Minister belast met justitiële aangelegenheden en de Procureur-Generaal zijn verplicht afzonderlijke registers te houden van de ingevolge deze wet verleende vergun¬ningen, schriftelijke machtigingen en geleide-biljetten en daarin mede te doen blijken van al wat door hen in verband daarmede verder mocht zijn verricht.

Artikel 20

Het model van de in deze wet bedoelde aanvragen, vergunningen, schriftelijke machtigingen en geleide-biljetten wordt door de President vastgesteld.

Artikel 2111

1. De vergunning, de schriftelijke machtiging of het geleidebiljet en de vuurwa¬pens en de munitie, waarop zij betrekking hebben, moeten op de eerste aanvraag worden ver¬toond aan elk der ambtenaren, in artikel 30 bedoeld.

2. Bij het verloren gaan van een vergunning, schrifte¬lijke machtiging of geleide-biljet kan een duplicaat worden uitgereikt waarop het woord duplicaat op in het oog vallende wijze vermeld staat. Ter vergoeding van kosten van administra¬tie en toezicht wordt van elk duplicaat bij de aanvraag een bedrag van tweeduizend gulden gehe¬ven.

STRAFBEPALINGEN

Artikel 2212

In-, door- of uitvoer in strijd met de bepalingen van of krachtens deze wet wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en geldboete van ten hoogste driemiljoen gulden.

Artikel 2313

Behoudens het bij het voorgaande artikel bepaalde, wordt hij, die een verbod, bij of krachtens deze wet ge¬steld, overtreedt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en geldboete van ten hoogste driemiljoen gulden.

Artikel 2414

Indien echter, naar de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden, enig voorwerp, met betrekking tot hetwelk het bij een der twee voorgaande artikelen strafbaar gesteld feit wordt begaan, is een bom, een handgranaat of een dergelijk voor ontploffing of voor het verspreiden van verstikkende of vergiftige gassen bestemd vuurwapen, een vlammenwerper, een kanon, een machinegeweer of een onderdeel van een dier vuurwa¬pens, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren en geldboete van ten hoogste vijfmiljoen gulden opgelegd.

Artikel 2515

Hij, die desgevraagd tegenover een der in artikel 30 bedoelde ambtenaren opzettelijk ontkent of verzwijgt onder de door hem in-, door- of uit te voeren goederen vuurwapens of munitie te hebben, wordt gestraft met hechtenis van ten hoog¬ste zes maanden en geldboete van ten hoogste vijftigduizend gulden.

Artikel 2616

Overtreding van de artikelen 5, zevende lid, 6, derde lid, 7, tweede of derde lid, 13, vijfde, zesde en zevende lid, 17, eerste, tweede en derde lid, en 21, eerste lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden en geldboete van ten hoogste vijftigduizend gulden.

Artikel 2717

Vervallen.

Artikel 2818

De bij de artikelen 22, 23 en 24 strafbaar gestelde feiten worden als misdrijven beschouwd, en de bij de artikelen 25 en 26 strafbaar gestelde feiten worden als overtredin¬gen aangemerkt.

Artikel 29

Indien een feit, bij deze wet strafbaar gesteld, wordt begaan door of vanwege een vennootschap onder een firma, een naamloze vennootschap, een zedelijk lichaam of een stichting, wordt de strafvervolging ingesteld en de straf uitgesproken tegen de behe¬rende vennoten of de leden van het bestuur.
Geen straf wordt uitgesproken tegen de beherende vennoot of het lid van het bestuur, van wie blijkt, dat het feit buiten zijn toedoen is begaan.

Artikel 3019

1. Met het toezicht op de verspreiding van vuurwapens en munitie onder de bevolking en het opsporen van de feiten, bij deze wet strafbaar gesteld, zijn, behalve de bij artikel 134 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen perso¬nen, belast de ambtenaren bij de actieve dienst der belas¬tingen.

2. De ambtenaren, in het voorgaande lid bedoeld, hebben in de uitoefening van het aan hen opgedragen toezicht, met de hen in verband daarmede vergezellende perso¬nen, te allen tijde vrije toegang tot alle plaatsen, waar redelijkerwijs vermoed kan worden, dat vuurwapens of munitie aanwezig zijn.

3. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich die desnoods met inroeping van de sterke arm.

4. Is de plaats tevens een woning of alleen door een woning toegankelijk, dan treden zij deze tegen de wil van de bewoner niet binnen dan op vertoon van een schrifte¬lijke lastgeving, te Paramaribo van de Procureur-Generaal en in een district van de betrok¬ken Districts-Commissaris.

5. Van dit binnentreden wordt door hen proces-verbaal opgemaakt, dat binnen tweemaal vier en twintig uren aan dege¬ne, wiens woning is binnengetreden, in afschrift wordt medege¬deeld.

Artikel 3120

De opsporingsambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare goederen.
Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 32

1. Aan hen, die bij de inwerkingtreding van deze wet een of meer vuurwapens voorhanden hebben en aan wie op grond van bij deze wet ingetrokken bepalingen een port d’armes daarvoor is afgegeven, wordt, mits zij daartoe binnen één maand na die inwerkingtreding en onder overlegging van dit port d’armes, het verzoek doen, kosteloos een krachtens en overeenkomstig deze wet vereiste vuurwapenvergun¬ning voor elk van de, onder dit port d’armes vallende en in het verzoek aangegeven, vuurwapens uitgereikt.

2. De nieuwe vuurwapenvergunning wordt verleend voor het nog overige gedeelte van de oorspronkelijke geldigheidsduur van het oude tot dekking van het betrek¬kelijke vuurwapen geldende, port d’armes.

3. Het in lid 1 en 2 bepaalde geldt op overeenkomstige wijze met betrekking tot het bij de inwerkingtreding van deze wet voorhanden hebben van munitie.

Artikel 33

1. Tegen hen, die bij de inwerkingtreding van deze wet voorhanden hebben een of meer vuurwapens of munitie, niet op wettige wijze gedekt, wordt ter zake daarvan geen strafvervolging ingesteld, indien zij binnen één maand na de inwerkingtreding een volgens deze wet vereiste schriftelijke machtiging daarvoor aanvragen.

2. Wordt deze machtiging niet verleend, dan geldt de betrekkelijke beschikking als een intrekking van een verleende machtiging, met alle gevolgen van dien, in deze wet daaraan verbonden; als tijd, bedoeld in artikel 13, lid 8, zal alsdan gelden een tijd van 6 maanden, te rekenen van af de dagtekening van de beschikking, waarbij de machtiging niet is verleend.

Artikel 3421

1. Houders van banken van lening, die op de dag van de inwerkingtreding van deze wet vuurwapens of munitie in pand hebben, zullen binnen een maand na het in werkingtreden van deze wet bij de Districts-Commissaris van het Stadsdistrict, zo de bank van lening te Paramaribo gevestigd is, en bij de betrokken Districts-Commissaris, indien de bank van lening in een district gevestigd is, hiervan aangifte moeten doen.

2. Tegelijkertijd wordt aan de Districts-Commissaris van het Stadsdistrict of de betrokken Districts-Commissaris een opgave verstrekt van het aantal en de soort der vuurwapens en de munitie en een omschrijving van de staat waarin elk vuurwapen zich bevindt.

3. Binnen dezelfde termijn zullen deze vuurwapens en munitie worden ingele¬verd bij de Districts-Commissaris van het Stadsdistrict of de betrokken Districts-Commis¬saris onder wiens bewaring zij zullen verblijven.

4. Is binnen een termijn van zes maanden hierover door de houder van de betrekkelijke bank niet beschikt met inachtne¬ming van de bepalingen van deze wet, dan vervallen de goederen, zonder enige vergoeding, aan het land en kan ver¬nietiging daarvan door de Procureur-Generaal bevolen worden.

SLOTBEPALINGEN

Artikel 35

1. In het eerste lid van artikel 72 van het Wetboek van Strafvordering voor Suriname wordt na het woord “Opiumwet” ingelast de zinsnede: “alsmede in artikel 22 van de vuurwapenwet, doch slechts voor het geval de verdachte niet in Suriname is gevestigd in de zin van de wet¬ van 3 September 1915 – G.B. 1916 No. 19,- betrekkelijk vestiging, toelating en uitzetting.”.

2. In het eerste lid van artikel 37 van het Reglement op de Inrichting en de samenstelling van de Rechterlijke Macht in Suriname, zoals dit artikel sedert – laatstelijk bij de Opiumwet (G.B. 1928 No. 51) – is gewijzigd, worden onder 3 nà het woord “Opiumwet” ingelast de woorden: “alsmede in artikel 22 van de Vuurwapenwet.”.

3. De artikelen 55, 56 en 57 van de publicatie van de 23n April 1863 (G.B. No. 10) houdende vaststelling en afkon¬di¬ging van een Reglement op het beheer der districten in Suriname, gelijk zij luidt blijkens G.B. 1914 No. 48 en na de sedert – laatstelijk bij de wet van 9 Augus¬tus 1926 (G.B. No. 124) – aangebrachte wijzigingen, worden ingetrokken.

4. De verdere verplichtingen bij het, in het voorgaande lid bedoelde, Reglement met betrekking tot wapens en amunitie opgelegd, vervallen, voor zover zij strijdig zijn met de bepalingen van deze wet.

5. De wet van 12 October 1898 (G.B. No. 49) tot afschaffing van de rechten voor jachtvergunningen, vissersvergunningen en rondventersvergunningen, zoals deze sedert – laatstelijk bij de wet van 14 Februari 1923 (G.B. No. 36) – is gewijzigd, wordt ingetrokken.

6. Artikel 67 van de Politiestrafwet (G.B. 1915 no. 77) wordt ingetrokken.

Artikel 36

Deze wet kan worden aangehaald als “Vuurwapenwet¬”.

Artikel 3722

Deze wet treedt in werking op een nader door de President te bepalen tijdstip.

De bevoegdheid tot het voorhanden hebben van een vuurwa¬pen komt slechts toe:
1°. aan openbare ambtenaren en beambten, die krachtens besluit van de Presi¬dent in het bezit van het betrekkelijke vuurwapen mogen zijn;
2°. aan een publiekrechtelijk lichaam;
3°. aan hem, die het vuurwapen krachtens een wettelijke bepaling of opdracht voor een publiekrechtelijk lichaam onder zich heeft;
4°. aan hen, die deel uitmaken van de gewapende macht of van de politie, voor zover het vuurwapen, dat zij voorhanden hebben, in soort en in hoeveelheid tot hun uitrusting behoort;
5°. aan de personen, bedoeld in het vierde lid van artikel 2, voor zover het een vuurwapen betreft, tot het bezit waarvan zij naar soort en hoeveelheid verplicht zijn;
6°. aan personen, die geen ander vuurwapen vervoeren dan dat zodanig is ingepakt, dat het niet voor dadelijk gebruik kan worden aangewend, mits het vervoer gedekt is door een geleidebiljet, afgegeven door de Districts-Commissaris van het Stadsdi¬strict of door de Districts-Commissaris van de plaats, waar het vervoer een aanvang neemt;
7°. aan hem, die voorzien is van een algemene of bij¬zon¬dere schriftelijke machti¬ging van de tot verstrekking daarvan bevoegde ambtenaar volgens de daarin opgenomen bepa¬lingen en voorwaarden.

Artikel 11

1. Waar in deze wet sprake is van een schrifte¬lijke machtiging zonder meer, worden daaronder de beide soor¬ten, als in het voorgaande artikel onder 7 bedoeld, verstaan, terwijl de bijzondere schriftelijke machtiging hierna als vuurwapenvergunning wordt aangeduid.

2. Een algemene schriftelijke machtiging kan uitslui¬tend worden afgegeven aan handelaren in vuurwapens als zod¬anig.

Artikel 12

1. Aan de schriftelijke machtiging kunnen voorwaarden worden verbonden.

2. Zij kan alleen verleend worden voor zover enig redelijk belang dat vordert en misbruik van de machtiging of van het vuurwapen of de vuurwapens niet is te vrezen, een en ander ter beoordeling van de tot verstrekking van die machti¬ging bevoegde ambtenaar.

3. Zij kan tot bepaalde tijden en plaatsen worden beperkt en is strikt persoonlijk.

Artikel 136

1. De schriftelijke machtiging wordt schriftelijk aange¬vraagd bij en verleend door de Procureur-Generaal.
Deze aanvraag houdt, met betrekking tot de hier bedoelde machtiging, in hetgeen de aanvraag, bedoeld in artikel 5, lid 3, ten aanzien van de in-, door- of uitvoer, heeft te vermel¬den met uitzondering van hetgeen aldaar met betrekking tot de termijn is gesteld; hij, die geen woonplaats binnen Suriname heeft, heeft bij de aanvraag aldaar woonplaats te kiezen. De aanvrager verstrekt voorts zoveel mogelijk de van hem door of vanwege de Procureur-Generaal verder gevraagde inlichtingen en beschei¬den.
Binnen een maand wordt op de aanvraag schriftelijk beschikt.
Indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk niet wordt ingewilligd, is de beschik¬king in de regel met redenen om¬kleed.

2. Elke aanvraag van een schriftelijke machtiging, m.n. vuurwapenvergunning en een algemene schriftelijke machtiging gaat vergezeld van de betaling van een recht van Sf. 5.000,- (VIJFDUIZEND GULDEN), van welke betaling, bij geen toewijzing, geen restitutie plaatsvindt.

3. Van de laatstbedoelde beschikking staat de aanvrager, binnen een maand na de dagtekening daarvan, beroep open op de President, die binnen een maand na de dag, waarop het beroep hem heeft bereikt, daarop schriftelijk beschikt.

4. De Procureur-Generaal is te allen tijde bevoegd elke door hem of, in hoger beroep van zijn beschikking, de door de President verleende schriftelijke machtiging bij een in de regel met redenen omklede beschikking, in te trekken, ingaan¬de onmiddellijk of op een daarbij te bepalen later tijdstip.
Het voorgaande lid is van overeenkomstige toepassing.

5. Van de aan het slot van het eerste lid, van de in het tweede lid en van de in het derde lid bedoelde beschikkin¬gen wordt een uittreksel aan de belanghebbende òf in persoon uitgereikt òf bij aangetekende dienst¬brief toegezonden.

6. Binnen een maand na het tijdstip van ingaan van de intrekking, bedoeld in het derde lid, moet de belanghebbende de aan hem afgegeven schriftelijke machtiging inleve¬ren aan de Procureur-Generaal, van wie de intrekking is uitgegaan, tenzij vóór dien de betrekkelijke beschikking in beroep is vernietigd.

7. Bij intrekking van een schriftelijke machtiging zullen de goederen, waarvoor zij gold, onmiddellijk na het tijdstip van ingaan van de betrekkelijke intrekking door de belanghebbende moeten worden ingeleverd aan de Procureur-Generaal, zullende door deze daarvoor een gedagtekend bewijs van ontvangst worden afgegeven.

8. Indien de belanghebbende in het vijfde en zesde lid bedoeld, overleden is, geschiedt de in een en ander lid voor¬geschreven inlevering door de uitvoerder van de uiterste wil, zo die er is, en anders door de erfgenamen of een hun¬ner.

9. Gedurende de tijd, die alsnog had te verlopen tus¬sen het tijdstip van ingaan der intrekking en de afloop van de termijn, waarvoor de schriftelijke machtiging was verleend, zullen de krachtens het zesde en zevende lid ingelever¬de goederen ter beschikking blijven van de rechthebbende, die daarmede, inmiddels met inachtneming van de bepalin¬gen van deze wet, kan handelen.

10. Na verloop van de in het vorige lid bedoelde tijd vervallen de ingeleverde goederen, zonder enige vergoeding, aan het land en kan vernietiging daarvan door de Procureur-Generaal bevolen worden.

Artikel 147

1. De schriftelijke machtiging is ten hoogste, doch tevens als regel, geldig voor één jaar, aanvangende met de dag van uitreiking.

2. Een schriftelijke machtiging wordt niet verleend dan na betaling van een bedrag, groot:
a. voor zover het betreft een vuurwapenvergunning:
honderdzestigduizend gulden wanneer het een vuistvuurwapen betreft;
veertigduizend gulden indien het een vuurwapen betreft dat vanuit de schouder wordt afgevuurd met een maximaal kaliber van 12.
b. voor zover het betreft een algemene schriftelijke machtiging: honderdzestigduizend gulden.

3. De in lid 2 genoemde bedragen zijn berekend per jaar; de betaling daarvan heeft te geschieden bij het doen van de aanvraag, bedoeld in artikel 13, lid 1.
Wordt de machtiging voor minder dan een jaar verleend, dan ondergaat het bedrag een evenredige vermindering.

4. Bij intrekking, bedoeld in artikel 13, lid 3, heeft een evenredige teruggave van de gestorte gelden plaats.

5. Een vuurwapenvergunning is slechts geldig voor één vuurwapen, dat daarin met name wordt aangegeven en zo nauw¬keurig mogelijk wordt omschreven.

6. Het in de leden 2, 3, 4 en 5 bepaalde, voor wat lid 5 betreft alleen het bepaal¬de in het eerste zinsgedeelte, geldt niet voor vuurwapens, die, naar het oordeel van de Procu¬reur-Generaal, het karakter dragen van oudheid.

7. Bij iedere verlenging van een schriftelijke machtiging als bedoeld in lid 1 van dit artikel, is een bedrag verschuldigd van:
a. voor zover het betreft een vuurwapenvergunning: tachtigduizend gulden, wanneer het een vuistvuurwapen betreft; twintigduizend gulden, indien het een vuurwapen betreft dat vanuit de schouder wordt afgevuurd met een maximaal kalber van 12.
b. voor zover het betreft een algemene schriftelijke machtiging tachtigduizend gulden.

VOORHANDEN HEBBEN VAN MUNITIE

Artikel 158

1. Het is verboden, anders dan van overheidswege ten behoeve van staatsdienst, munitie voorhanden te hebben zonder voorzien te zijn van een schriftelijke machti¬ging van de tot verstrekking daarvan bevoegde ambtenaar.
Het in de artikelen 12 en 13 bepaalde vindt ten deze overeenkomstige toepassing.

2. Het voorgaande lid is niet van toepassing ten aanzien van:
1o. munitie, welke, tot na te melden hoeveelheden, in het bezit is van personen, die bevoegd zijn een of meer vuurwape¬ns voorhanden te hebben.
Deze hoeveelheid bedraagt: wanneer het geldt een of meer handvuurwapens – geweer, buks, karabijn – voor elk verschil¬lend kaliber daarvan ten hoogste een honderd partronen, en wanneer het een of meer vuistvuurwapens – pistool, revolver -geldt, voor elk verschillend kaliber daarvan ten hoogste vijf en twintig patronen.
2o. vervoerd wordende munitie, waarvan het vervoer gedekt is door een geleide¬biljet, afgegeven door of vanwege de Procureur-Generaal.

3. Het is verboden andere munitie voorhanden te hebben dan die geschikt is voor het vuurwapen, tot welks voorhanden hebben een schriftelijke machtiging is afgegeven.

AFLEVERING VAN VUURWAPENS EN MUNITIE

Artikel 16

Het is verboden van het afleveren van vuurwapens en munitie een beroep of een gewoonte te maken zonder voorzien te zijn van een algemene schriftelijke machtiging van de tot verstrekking daarvan bevoegde ambtenaar.

Artikel 179

1. Allen, die van het afleveren van vuurwapens en muni¬tie een beroep of een gewoonte maken, zijn verplicht een, naar een door de President vast te stellen model ingericht en door of vanwege de Procureur-Generaal of Districts-Commissaris hunner woonplaats gefolieerd en geparafeerd, doorlopend register te houden en daarin onverwijld aantekening te doen van alle door hen onder enige titel ontvangen of afgeleverde vuurwa¬pens en munitie.

2. Zij zijn verplicht daarin onverwijld te vermelden de namen en woonplaatsen zowel van degenen, van wie de goederen afkomstig of voor wie deze bestemd zijn, als van hen, uit wier handen zij de goederen hebben ontvangen of in wier handen zij deze hebben afgeleverd, en voorts datum en plaats van afgifte van de vergunningen, schriftelij¬ke machtigingen en geleide-biljetten, welke ingevolge deze wet aan bedoelde personen verleend mochten zijn.

3. Zij zijn verplicht het register op eerste aanvraag ter inzage, contrôle en verifieering te vertonen aan elk der ambtenaren, in artikel 30 bedoeld.

Artikel 18

1. Het is verboden, anders dan van overheidswege ten behoeve van staatsdienst, een vuurwapen of munitie binnen Suriname af te leveren.

2. Het voorgaande lid is niet van toepassing ten aanzien van het afleveren van een vuurwapen of munitie van iemand, die bevoegd is dat vuurwapen of die munitie voorhanden te hebben.

AANVRAGEN, VERGUNNINGEN, SCHRIFTELIJKE MACHTIGINGEN EN
GELEIDE-BILJETTEN

Artikel 1910

De Minister belast met justitiële aangelegenheden en de Procureur-Generaal zijn verplicht afzonderlijke registers te houden van de ingevolge deze wet verleende vergun¬ningen, schriftelijke machtigingen en geleide-biljetten en daarin mede te doen blijken van al wat door hen in verband daarmede verder mocht zijn verricht.

Artikel 20

Het model van de in deze wet bedoelde aanvragen, vergunningen, schriftelijke machtigingen en geleide-biljetten wordt door de President vastgesteld.

Artikel 2111

1. De vergunning, de schriftelijke machtiging of het geleidebiljet en de vuurwa¬pens en de munitie, waarop zij betrekking hebben, moeten op de eerste aanvraag worden ver¬toond aan elk der ambtenaren, in artikel 30 bedoeld.

2. Bij het verloren gaan van een vergunning, schrifte¬lijke machtiging of geleide-biljet kan een duplicaat worden uitgereikt waarop het woord duplicaat op in het oog vallende wijze vermeld staat. Ter vergoeding van kosten van administra¬tie en toezicht wordt van elk duplicaat bij de aanvraag een bedrag van tweeduizend gulden gehe¬ven.

STRAFBEPALINGEN

Artikel 2212

In-, door- of uitvoer in strijd met de bepalingen van of krachtens deze wet wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en geldboete van ten hoogste driemiljoen gulden.

Artikel 2313

Behoudens het bij het voorgaande artikel bepaalde, wordt hij, die een verbod, bij of krachtens deze wet ge¬steld, overtreedt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en geldboete van ten hoogste driemiljoen gulden.

Artikel 2414

Indien echter, naar de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden, enig voorwerp, met betrekking tot hetwelk het bij een der twee voorgaande artikelen strafbaar gesteld feit wordt begaan, is een bom, een handgranaat of een dergelijk voor ontploffing of voor het verspreiden van verstikkende of vergiftige gassen bestemd vuurwapen, een vlammenwerper, een kanon, een machinegeweer of een onderdeel van een dier vuurwa¬pens, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren en geldboete van ten hoogste vijfmiljoen gulden opgelegd.

Artikel 2515

Hij, die desgevraagd tegenover een der in artikel 30 bedoelde ambtenaren opzettelijk ontkent of verzwijgt onder de door hem in-, door- of uit te voeren goederen vuurwapens of munitie te hebben, wordt gestraft met hechtenis van ten hoog¬ste zes maanden en geldboete van ten hoogste vijftigduizend gulden.

Artikel 2616

Overtreding van de artikelen 5, zevende lid, 6, derde lid, 7, tweede of derde lid, 13, vijfde, zesde en zevende lid, 17, eerste, tweede en derde lid, en 21, eerste lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden en geldboete van ten hoogste vijftigduizend gulden.

Artikel 2717

Vervallen.

Artikel 2818

De bij de artikelen 22, 23 en 24 strafbaar gestelde feiten worden als misdrijven beschouwd, en de bij de artikelen 25 en 26 strafbaar gestelde feiten worden als overtredin¬gen aangemerkt.

Artikel 29

Indien een feit, bij deze wet strafbaar gesteld, wordt begaan door of vanwege een vennootschap onder een firma, een naamloze vennootschap, een zedelijk lichaam of een stichting, wordt de strafvervolging ingesteld en de straf uitgesproken tegen de behe¬rende vennoten of de leden van het bestuur.
Geen straf wordt uitgesproken tegen de beherende vennoot of het lid van het bestuur, van wie blijkt, dat het feit buiten zijn toedoen is begaan.

Artikel 3019

1. Met het toezicht op de verspreiding van vuurwapens en munitie onder de bevolking en het opsporen van de feiten, bij deze wet strafbaar gesteld, zijn, behalve de bij artikel 134 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen perso¬nen, belast de ambtenaren bij de actieve dienst der belas¬tingen.

2. De ambtenaren, in het voorgaande lid bedoeld, hebben in de uitoefening van het aan hen opgedragen toezicht, met de hen in verband daarmede vergezellende perso¬nen, te allen tijde vrije toegang tot alle plaatsen, waar redelijkerwijs vermoed kan worden, dat vuurwapens of munitie aanwezig zijn.

3. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich die desnoods met inroeping van de sterke arm.

4. Is de plaats tevens een woning of alleen door een woning toegankelijk, dan treden zij deze tegen de wil van de bewoner niet binnen dan op vertoon van een schrifte¬lijke lastgeving, te Paramaribo van de Procureur-Generaal en in een district van de betrok¬ken Districts-Commissaris.

5. Van dit binnentreden wordt door hen proces-verbaal opgemaakt, dat binnen tweemaal vier en twintig uren aan dege¬ne, wiens woning is binnengetreden, in afschrift wordt medege¬deeld.

Artikel 3120

De opsporingsambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare goederen.
Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 32

1. Aan hen, die bij de inwerkingtreding van deze wet een of meer vuurwapens voorhanden hebben en aan wie op grond van bij deze wet ingetrokken bepalingen een port d’armes daarvoor is afgegeven, wordt, mits zij daartoe binnen één maand na die inwerkingtreding en onder overlegging van dit port d’armes, het verzoek doen, kosteloos een krachtens en overeenkomstig deze wet vereiste vuurwapenvergun¬ning voor elk van de, onder dit port d’armes vallende en in het verzoek aangegeven, vuurwapens uitgereikt.

2. De nieuwe vuurwapenvergunning wordt verleend voor het nog overige gedeelte van de oorspronkelijke geldigheidsduur van het oude tot dekking van het betrek¬kelijke vuurwapen geldende, port d’armes.

3. Het in lid 1 en 2 bepaalde geldt op overeenkomstige wijze met betrekking tot het bij de inwerkingtreding van deze wet voorhanden hebben van munitie.

Artikel 33

1. Tegen hen, die bij de inwerkingtreding van deze wet voorhanden hebben een of meer vuurwapens of munitie, niet op wettige wijze gedekt, wordt ter zake daarvan geen strafvervolging ingesteld, indien zij binnen één maand na de inwerkingtreding een volgens deze wet vereiste schriftelijke machtiging daarvoor aanvragen.

2. Wordt deze machtiging niet verleend, dan geldt de betrekkelijke beschikking als een intrekking van een verleende machtiging, met alle gevolgen van dien, in deze wet daaraan verbonden; als tijd, bedoeld in artikel 13, lid 8, zal alsdan gelden een tijd van 6 maanden, te rekenen van af de dagtekening van de beschikking, waarbij de machtiging niet is verleend.

Artikel 3421

1. Houders van banken van lening, die op de dag van de inwerkingtreding van deze wet vuurwapens of munitie in pand hebben, zullen binnen een maand na het in werkingtreden van deze wet bij de Districts-Commissaris van het Stadsdistrict, zo de bank van lening te Paramaribo gevestigd is, en bij de betrokken Districts-Commissaris, indien de bank van lening in een district gevestigd is, hiervan aangifte moeten doen.

2. Tegelijkertijd wordt aan de Districts-Commissaris van het Stadsdistrict of de betrokken Districts-Commissaris een opgave verstrekt van het aantal en de soort der vuurwapens en de munitie en een omschrijving van de staat waarin elk vuurwapen zich bevindt.

3. Binnen dezelfde termijn zullen deze vuurwapens en munitie worden ingele¬verd bij de Districts-Commissaris van het Stadsdistrict of de betrokken Districts-Commis¬saris onder wiens bewaring zij zullen verblijven.

4. Is binnen een termijn van zes maanden hierover door de houder van de betrekkelijke bank niet beschikt met inachtne¬ming van de bepalingen van deze wet, dan vervallen de goederen, zonder enige vergoeding, aan het land en kan ver¬nietiging daarvan door de Procureur-Generaal bevolen worden.

SLOTBEPALINGEN

Artikel 35

1. In het eerste lid van artikel 72 van het Wetboek van Strafvordering voor Suriname wordt na het woord “Opiumwet” ingelast de zinsnede: “alsmede in artikel 22 van de vuurwapenwet, doch slechts voor het geval de verdachte niet in Suriname is gevestigd in de zin van de wet¬ van 3 September 1915 – G.B. 1916 No. 19,- betrekkelijk vestiging, toelating en uitzetting.”.

2. In het eerste lid van artikel 37 van het Reglement op de Inrichting en de samenstelling van de Rechterlijke Macht in Suriname, zoals dit artikel sedert – laatstelijk bij de Opiumwet (G.B. 1928 No. 51) – is gewijzigd, worden onder 3 nà het woord “Opiumwet” ingelast de woorden: “alsmede in artikel 22 van de Vuurwapenwet.”.

3. De artikelen 55, 56 en 57 van de publicatie van de 23n April 1863 (G.B. No. 10) houdende vaststelling en afkon¬di¬ging van een Reglement op het beheer der districten in Suriname, gelijk zij luidt blijkens G.B. 1914 No. 48 en na de sedert – laatstelijk bij de wet van 9 Augus¬tus 1926 (G.B. No. 124) – aangebrachte wijzigingen, worden ingetrokken.

4. De verdere verplichtingen bij het, in het voorgaande lid bedoelde, Reglement met betrekking tot wapens en amunitie opgelegd, vervallen, voor zover zij strijdig zijn met de bepalingen van deze wet.

5. De wet van 12 October 1898 (G.B. No. 49) tot afschaffing van de rechten voor jachtvergunningen, vissersvergunningen en rondventersvergunningen, zoals deze sedert – laatstelijk bij de wet van 14 Februari 1923 (G.B. No. 36) – is gewijzigd, wordt ingetrokken.

6. Artikel 67 van de Politiestrafwet (G.B. 1915 no. 77) wordt ingetrokken.

Artikel 36

Deze wet kan worden aangehaald als “Vuurwapenwet¬”.

Artikel 3722

Deze wet treedt in werking op een nader door de President te bepalen tijdstip.